Groen is poen

Op: 9 september 2018
Door: Jan Willem

0 reacties

Deel via

Groen is poen

‘Groene stroom uit Nederland is duurste van Europa’, kopte het Financieele Dagblad (FD) op 27 augustus dit jaar. Gemeenten en bedrijven betalen volgens het artikel meer voor groene stroom door de gestegen prijs van Garanties van Oorsprong (GvO’s).

Het artikel meldt dat de prijs van Nederlandse GvO’s de afgelopen jaren is opgelopen en dat deze stijging zich de komende jaren naar verwachting voortzet. Hiermee suggereert het FD dat gemeenten en bedrijven de komende jaren meer geld kwijt zijn voor hun duurzame energie. De praktijk wijst juist uit dat deze partijen geld kunnen besparen en zelfs verdienen door over te stappen op duurzame energie. Hoe zit dit precies?

Garantie van Oorsprong
Wanneer men duurzame energie opwekt en een brutoproductiemeter (BPM) laat plaatsen (door een meetbedrijf) die wordt aangemeld bij CertiQ, dan krijgt men voor iedere opgewekte megawattuur één GvO. CertiQ is een 100% dochter van de landelijke elektriciteitsnetbeheerder TenneT en door de minister van Economische Zaken gemandateerd om GvO’s te verstrekken.

Een GvO meldt onder meer wat de energiebron is waarmee de energie is opgewekt, de periode waarin de energie is opgewekt, de locatie waar de energie is opgewekt en of en zo ja wat voor steun (lees subsidie) de installatie heeft ontvangen.

Nederland is niet het enige land dat GvO’s verstrekt. Ook landen als Duitsland, Frankrijk, Noorwegen en België, maar ook landen als Estland, IJsland en Cyprus zijn aangesloten bij de AIB (association of issuing bodies). De AIB is het Europese samenwerkingsverband waarin afspraken zijn gemaakt over GvO’s. Niet alle Europese landen zijn aangesloten bij de AIB. Landen als Polen en Slowakije zijn bijvoorbeeld niet aangesloten, evenals Engeland.

Handel
Al jarenlang is er een levendige handel in GvO’s en deze handel wordt al jaren gestimuleerd door de Europese en nationale regelgeving omtrent energie. Toen de energiemarkt geliberaliseerd werd (ruim vijftien jaar geleden), was het al mogelijk ‘groene energie’ te leveren. Dit werd (ook toen al) gedaan door in het buitenland GvO’s te kopen en daarmee de Nederlandse, met kolen- en gasgestookte centrales opgewekte elektriciteit administratief te vergroenen.

Het verdienmodel was lucratief, omdat energiebedrijven geen energiebelasting hoefden af te dragen over de elektriciteit die zij leverden wanneer zij buitenlandse GvO’s inkochten voor een even groot volume. De prijs van buitenlandse GvO’s was beduidend lager dan de af te dragen energiebelasting, dus op iedere ‘groen’ verkochte kilowattuur werd meteen verdiend. Het mes sneed zelfs aan twee kanten, want de energiebedrijven verkochten de ‘groene’ stroom ook nog eens voor een hogere prijs dan de ‘grijze’ stroom.

Na een aantal voor de ‘groene’ energiebedrijven bijzonder lucratieve jaren werd deze belastingmaatregel afgeschaft, stortte de prijs voor GvO’s in elkaar en daalde de import van buitenlandse GvO’s opeens.

De handel in GvO’s heeft er wel toe geleid dat nieuwe energiebedrijven zich konden onderscheiden van de traditionele energiebedrijven. Greenchoice is hier het meest bekende en waarschijnlijk ook meest succesvolle voorbeeld van: zij verkocht al snel meer groene stroom dan er überhaupt in Nederland werd opgewekt. Op dit moment wordt nog steeds meer groene stroom verkocht dan er in Nederland wordt geproduceerd. In 2016 nam 69% van de consumenten groene stroom af, terwijl dat jaar volgens ECN slechts 12,5% van de beschikbare elektriciteit in Nederland werd opgewekt vanuit ‘groene’ energiebronnen.

Productie, import en export
Wanneer we kijken naar de cijfers van CertiQ, dan zien we dat Nederland in 2015 13,1 GWh duurzaam produceerde, in 2016 13,7 GWh en in 2017 15,9 GWh, een stijging van 21%. In dezelfde periode steeg de import van GvO’s van 32,6 GWh in 2015 naar 40 GWh in 2017, een stijging van zelfs 22%.

Het bijzondere is wel dat de export van GvO’s in dezelfde periode met 66% is gestegen, terwijl Nederland fors achterloopt op haar doelstellingen voor duurzame energieproductie.

Wanneer we kijken naar de verschillende technieken, zien we dat 66% van de Nederlandse geregistreerde duurzame productie in 2017 met windenergie wordt gegenereerd en 30% met biomassa. In 2017 werd slechts 3,3% geproduceerd met zonne-energie, terwijl het absolute volume van zonne-energie in 2017 is verviervoudigd ten opzichte van 2015.

De import van GvO’s bestaat voor 46,9% grotendeels uit waterkracht, de meest goedkope vorm van GvO’s, en voor 45,8% uit windenergie. In 2015 was het aandeel waterkracht nog 71,1%, maar dankzij ‘sjoemelstroom’-campagnes van onder meer Wise is dit aandeel dus flink gedaald.
Opvallend is het feit dat de export van GvO’s vooral bestaat uit biomassa (53,3%) en uit wind (45,6%) en dat deze twee technieken al jaren hetzelfde aandeel hebben, ondanks het feit dat de export dus met 66% is toegenomen sinds 2015.

Vraag
De vraag naar groene stroom neemt toe. Niet alleen bij consumenten, maar ook bij bedrijven en gemeenten (de partijen waar het FD aan refereert). De afgelopen jaren zijn verschillende rapporten gepubliceerd waaruit blijkt dat steeds meer Nederlanders duurzame energie willen.

April vorig jaar hield Pricewise een landelijk onderzoek onder ruim duizend respondenten. Hieruit blijkt dat 40% van alle Nederlanders bereid is meer te betalen voor groene stroom. De helft van deze groep is tevens bereid extra geld neer te tellen voor groene stroom die in Nederland is opgewekt, ook wel ‘oranje stroom’ genoemd.

Wanneer wordt gekeken naar de redenen om over te stappen van energieleverancier, zegt 73% dit te doen op basis van prijs en slechts 17% doet dit omdat zij duurzame energie wil afnemen (bron Energiemonitor 2018, ACM, 990 respondenten). De uitkomsten van deze onderzoeken spreken elkaar dus tegen.

Toch zien we dat de vraag toeneemt. Het aandeel duurzame energie dat consumenten afnemen stijgt en steeds meer gemeenten en bedrijven stappen over op duurzame energie of gaan zelf duurzame energie opwekken. Vooral dit laatste is verstandig: waar consumenten en bedrijven bij sommige energieleveranciers nog steeds duurder uit zijn wanneer ze duurzame energie inkopen in plaats van fossiele energie, gaan consumenten en bedrijven die zelf duurzame energie opwekken juist flink verdienen.

Ontwikkelingen
De afgelopen jaren zijn er bij bedrijven en gemeenten goede ontwikkelingen te zien op het gebied van de productie en afname van duurzame energie.

De NS nam enkele jaren geleden al het voortouw. Zij schreef een aanbesteding uit waarin zij aangaf dat haar energie duurzaam moet worden opgewekt uit nieuw te realiseren vermogen in Nederland. Eneco heeft deze aanbesteding destijds gewonnen en levert de NS stroom uit nieuwe windparken.

In maart dit jaar was er een mooi nieuwsbericht over het feit dat AkzoNobel, DSM, Philips en Google hun eerste duurzame elektriciteit geleverd kregen van twee nieuw gerealiseerde windparken in Nederland, te weten Krammer en Bouwdokken. Het bijzondere is dat deze vier industriële grootmachten samenwerken om duurzame elektriciteit af te nemen uit nieuwe windparken door langetermijn-stroomafnamecontracten (zogeheten PPA’s) af te sluiten met de ontwikkelaars van die windparken. De traditionele energiebedrijven hebben hierbij het nakijken, omdat zij in deze samenwerking simpelweg zijn omzeild.

Deze zomer is op het distributiecentrum van PON in Leusden een zonne-energie-installatie opgeleverd van bijna 2,5 MW, waarmee PON meer dan de helft van haar eigen verbruik op die locatie zelf duurzaam opwekt. PON doet zelf de investering en maakt gebruik van de landelijke subsidieregeling SDE+. De energienota van PON valt hierdoor een stuk lager uit en de investering wordt ruimschoots binnen de technische levensduur terugverdiend.

Een ander mooi voorbeeld is het platform ENTRNCE van Energy Exchange Enablers, een 100% dochter van de regionale netbeheerder Alliander. Via het platform van ENTRNCE hebben energieproducenten en/of energieafnemers directe toegang tot de energiemarkten zoals EPEX en ENDEX en kunnen participanten direct willekeurige transacties van EAN naar EAN uitvoeren.

Hierdoor worden bijvoorbeeld lokale energiecoöperaties in staat gesteld de stroom van hun zonneweide rechtstreeks te leveren aan hun eigen laadpalen of aan het gemeentehuis van de gemeente waarin zij zijn gevestigd.

Eerder genoemde ontwikkelingen geven aan dat je tegenwoordig niet alleen maar duurzame energie hoeft af te nemen door GvO’s in te kopen. Sterker nog: liever niet. En al helemaal geen GvO’s van waterkrachtcentrales uit Noorwegen of Frankrijk die al tientallen jaren bestaan en helemaal niets extra’s toevoegen aan de energietransitie. Dit soort certificaten zorgt er alleen maar voor dat de kolencentrales op de Maasvlakte en in Eemshaven zogenaamd groene stroom leveren, terwijl deze feitelijk roetzwart is.

Duurste van Europa?
Maar klopt het nu dat de groene stroom in Nederland het duurst is van Europa? Wel als je kijkt naar de prijs van GvO’s. Op de website van GPX zien we een mooi voorbeeld: voor een GvO Estse wind (dus wind uit Estland) betaal je € 4,95 per GvO inclusief BTW en voor Belgische zon betaal je € 6,95 per GvO inclusief BTW. Ter vergelijking: wind uit Den Helder of zon uit Ridderkerk kost bij GPX € 9,95 per GvO inclusief BTW. Fors duurder dus.

Dat Estse wind de helft kost in vergelijking met Nederlandse wind, is niet zo vreemd: Estland is namelijk één van de elf Europese landen die zijn duurzaamheidsdoelstellingen voor 2020 in 2015 al had behaald. Voor de duidelijkheid: de doelstelling van Estland lag vele malen hoger dan die van Nederland.

Dat Belgische zon ongeveer 30% goedkoper is dan Nederlandse zon is ook niet vreemd. België is dichterbij haar (lagere) doel dan Nederland (maar België bungelt tegelijkertijd maar net boven Nederland onderaan het lijstje).

Het betreft hier overigens wel de ‘consumentenprijs’ voor GvO’s. Wanneer we kijken naar de groothandelsprijs, de prijs waarvoor de energieproducenten de GvO’s verkopen aan de energiebedrijven, dan wordt voor Nederlandse zon, bijvoorbeeld die van ons eigen zonnepark in Laarberg, momenteel verhandeld voor € 6,- per MWh, een prijs die we eind 2016 ook al kregen voor de zonne-energie van onze dakgebonden productie-installatie in Delft.

Vraag en aanbod
Het mag inmiddels wel duidelijk zijn: de prijs van Nederlandse GvO’s wordt bepaald door vraag en aanbod. In Nederland is er veel vraag en weinig aanbod, dus de prijs van Nederlandse GvO’s is hoog. Dit is het simpele gevolg van marktwerking.

Nederlandse gemeenten en bedrijven doen er dan ook veel beter aan om niet simpelweg duurzame energie in te kopen, maar om te onderzoeken of andere mogelijkheden tot lagere energiekosten leiden.

Het beste alternatief is: zelf duurzame energie opwekken. Zodoende wordt nieuwe, lokaal geproduceerde energie gekoppeld aan lokale afname. Bijkomende voordelen hiervan zijn dat bij gelijktijdige productie en afname het elektriciteitsnet wordt ontlast en leidingverliezen worden voorkomen. Door eigen productie, bijvoorbeeld van een zonneweide of een windturbine, via een platform als ENTRNCE te koppelen aan eigen verbruikslocaties, zoals het gemeentehuis of de gemeentewerf, kan een gemeente in haar eigen energiebehoefte voorzien.

Wanneer niet (volledig) in de eigen behoefte kan worden voorzien, is het sluiten van een PPA een goed alternatief. Middels het sluiten van een PPA zorgt de gemeente of het bedrijf ervoor dat een financiële bijdrage wordt geleverd aan nieuwe duurzame energieproductie en men verzekert zich voor vijftien jaar van duurzame energie uit een eigen bron.

Een PPA hoeft niet alleen gesloten te worden met een groot windpark zoals Krammer of Bouwdokken zoals Philips en DSM dit hebben gedaan. Een PPA kan ook worden gesloten met een lokale energiecoöperatie die op het dak van een boer een postcoderoosproject heeft gerealiseerd. Ook hier kan worden gebruik worden gemaakt van een platform als ENTRNCE, maar er zijn ook coöperatieve energieleveranciers zonder winstoogmerk die dit soort projecten faciliteren, zoals Qurrent.

Alleen wanneer geen alternatieven resteren, moet worden gekozen voor de inkoop van Nederlandse GvO’s. Het gebrek hieraan zal de prijs verder opdrijven, maar dit zorgt er wel voor dat er een extra stimulans komt voor marktpartijen om te investeren in nieuwe duurzame energieopwekking, waardoor de duurzaamheidsdoelstellingen weer iets dichterbij komen.

Het inkopen van roetzwarte stroom van de Maasvlakte of uit Eemshaven en dit vergroenen met GvO’s van de oude waterkrachtcentrales in Noorwegen en/of Frankrijk is uiteraard geen alternatief. Dit noemen we niet voor niets sjoemelstroom.

Waar het FD niet over rept, is het feit dat de groothandelsprijs voor elektriciteit het afgelopen jaar is opgelopen van € 33,40 naar € 57,50 euro per MWh; een stijging van ruim € 24,- per MWh. In absolute bedragen per MWh is deze stijging acht keer hoger dan de stijging van de GvO’s en dit is pas echt iets waar energieverbruikers zich zorgen om moeten maken.

Zelf duurzame energie opwekken is voor consumenten, gemeenten én bedrijven het meest lucratief, juist wanneer de prijs voor Nederlandse GvO’s zo hoog is. Als duurzame energieproducent hoef je de GvO’s namelijk niet in te kopen én je draagt zelf actief een steentje bij aan de verduurzaming van Nederland. Daarnaast ga je dankzij de stijging van de ‘kale’ elektriciteitsprijs nog meer besparen op je energienota. Een win-win-win-situatie dus.


Plaats een reactie