(T)AB voor duurzame energie

Op: 3 april 2014
Door: sander

0 reacties

Deel via

(T)AB voor duurzame energie

Bijna iedere gemeente heeft ermee te maken: stukken grond waar voorziene ontwikkelingen uitblijven en het wellicht mogelijk is deze – al dan niet tijdelijk – in te zetten voor de productie van hernieuwbare energie. Veel van deze gemeenten geven aan behoefte te hebben aan een scherper beeld van de duurzame opties enerzijds en de financiële, juridische en organisatorische implicaties hiervan anderzijds. Om die reden heeft Greenspread, in opdracht van de provincie Gelderland, deze handreiking opgesteld.

Wat wijst de praktijk uit?
Aangetoond is dat onder voorwaarden renderende hernieuwbare-energie-projecten te realiseren zijn op braakliggende gronden (ook wel TAB-gronden genoemd: Tijdelijk Anders Bestemmen). Van belang hierbij is het inzicht dat de duurzame opties in het huidige politieke, fiscale en economische klimaat geen hoog financieel rendement opleveren; niet voor de risicodragende ontwikkelaar en veelal ook niet voor de (publieke) grondeigenaar (zeker niet in het geval van zon en biomassa). Voor de gemeente dienen duurzame-energie-projecten op braakliggende terreinen dan ook vooral maatschappelijke doelen: CO₂-uitstootreductie, lokale werkgelegenheid en participatie door omwonenden zijn voorbeelden van uitkomsten met een andere waarde dan een puur financiële.

Wind, zon of biomassateelt?
Deze drie concepten zijn zeer verschillend en er zijn veel locatiespecifieke factoren die van invloed zijn op de exacte haalbaarheid en wenselijkheid. In het algemeen geldt echter:
• wind levert qua duurzame energie en financiën het meeste op;
• zon is ruimtelijk eenvoudiger in te passen en biedt uitstekende participatiemogelijkheden;
• biomassateelt is flexibel in te zetten, maar levert lang niet altijd een aantoonbare bijdrage aan lokale DE-doelstellingen.

Tijdelijkheid is hierbij een relatief begrip: voor rendabele exploitatie kan voor bioteelt soms minder dan vijf jaar volstaan; voor wind en zon is respectievelijk 15 en 25 nodig. Voor wind en zon betekent dit dat doorgaans altijd een wijziging van het bestemmingsplan nodig is. Via privaatrechtelijke overeenkomsten en wijzigingsbevoegdheden kan de “tijdelijke” aard van initiatieven alsnog worden geborgd.

Hoe kunnen gemeenten projecten faciliteren?
Om daadwerkelijk projecten te komen, is het voor gemeenten zaak op ambtelijk en bestuurlijk niveau realistische randvoorwaarden te stellen. Van belang daarbij is het inzicht dat ontwikkelaars te maken hebben met aanzienlijke aanloopkosten, onzekere ontwikkeltrajecten en dunne exploitatiemarges. Actieve ondersteuning bieden gedurende het ontwikkeltraject is dan ook een gewenste rol van de gemeente, bijvoorbeeld bij ruimtelijke procedures en vergunningprocedures.
Voor de gemeente vraagt het bovengenoemde spanningsveld een proactieve aanpak: de rol van de ‘andere overheid’ is hier van toepassing. De klassieke gedachte dat de gemeente kaders vaststelt en dat ‘de markt het daarna wel oppikt’, gaat in het geval van hernieuwbare energie meestal niet op.

Ad-hockeuzes of strategisch beleid?
Gemeenten kunnen (eenvoudigweg) per braakliggende locatie de afweging maken of zon, wind of bioteelt haalbare en wenselijke opties zijn. Wenselijker is het om op strategischer niveau structureel ruimte vrij te maken voor duurzame energie en vast te stellen waar wind, zon, en biomassateelt een plek kunnen krijgen. In een “duurzaamheidsstructuurvisie” kunnen inzichten uit de werelden van de ruimtelijke ordening en hernieuwbare energie in dat kader op een eigentijdse wijze samenkomen.


Plaats een reactie